Een Duitse dog heeft een flink stel hersenen in zijn kop zitten. Een chihuahua moet het met een aanzienlijk kleiner exemplaar doen. Maar betekent dat ook dat de Duitse dog slimmer is? Dat hij beter kan nadenken, meer kan onthouden en minder snel zijn zelfbeheersing verliest als er een lekker voertje voor zijn neus ligt?
Wetenschappers van onder andere de Universiteit van Arizona vonden dit een interessante vraag. Ze onderzochten het verband tussen hersengrootte en verschillende cognitieve vaardigheden bij honden.
En wat bleek? Hondenrassen met grotere hersenen scoorden gemiddeld beter op bepaalde geheugen- en zelfbeheersingstests! Maar voordat we de Duitse dog tot professor benoemen en de chihuahua terugsturen naar de kleuterschool: zo eenvoudig ligt het niet!
Voor het onderzoek, dat in 2019 werd gepubliceerd, gebruikten de wetenschappers gegevens van maar liefst 7.397 volwassen rashonden, verdeeld over 74 rassen. In totaal werden tien verschillende tests onderzocht. Daarmee werd onder andere gekeken naar geheugen, zelfbeheersing, het begrijpen van menselijke communicatie en probleemoplossend vermogen. En op twee onderdelen sprongen de grotere honden eruit!
Waar lag dat koekje ook alweer?
Stel je voor: je hond ziet hoe je een lekker voertje onder een van twee bekers verstopt. Vervolgens moet hij wachten. Niet eventjes, maar afhankelijk van de test maar liefst 60 tot 150 seconden. Daarna mag hij aanwijzen onder welke beker het voertje verstopt ligt.
De onderzoekers ontdekten dat hondenrassen met grotere hersenen gemiddeld vaker de juiste beker kozen dan rassen met kleinere hersenen. Vooral wanneer de wachttijd langer werd, kwam dit verschil naar voren. Grotere hersenen bleken dus samen te hangen met een beter kortetermijngeheugen.
Het kortetermijngeheugen is belangrijk om informatie tijdelijk vast te houden. Bijvoorbeeld wanneer een hond moet onthouden waar iets ligt of welke informatie hij zojuist heeft gekregen.
Betekent dit dat grote honden ook sneller nieuwe oefeningen leren? Nee, dat kunnen we hier niet uit concluderen. Het onderzoek ging over het onthouden van informatie, niet over hoe snel honden nieuwe vaardigheden aanleren.
Dat koekje ligt daar wel héél verleidelijk...
De tweede test ging over zelfbeheersing. En daarvoor bedachten de onderzoekers een situatie die voor veel honden behoorlijk herkenbaar zal zijn. Er ligt een lekker voertje, maar je mag het niet pakken.
De eigenaar liet zijn hond een voertje zien en verbood hem dit op te eten. Vervolgens werden twee situaties getest:
De vraag was simpel: hoelang kan de hond de verleiding weerstaan voordat hij toch zijn kans grijpt? En ook hier scoorden hondenrassen met grotere hersenen gemiddeld beter. Ze wachtten langer voordat ze het verboden voertje pakten. Dat gold zowel wanneer hun eigenaar keek als wanneer deze niet keek. Het verband was doorgaans duidelijker wanneer de eigenaar de andere kant op keek.
Blijkbaar hangt hersengrootte dus niet alleen samen met geheugen, maar ook met het vermogen om een directe impuls te onderdrukken. In de wetenschap noemen we dat inhibitie.
Maar zijn grote honden dan ook overal beter in?
Nu wordt het pas echt interessant. Want als grotere hersenen zorgen voor betere prestaties op sommige tests, zou je misschien verwachten dat grote honden op alle cognitieve tests beter scoren. Maar dat bleek helemaal niet het geval. Bij verschillende andere tests werd geen duidelijk verband met hersengrootte gevonden.
Zo maakte het voor bepaalde tests van logisch redeneren en het interpreteren van fysieke aanwijzingen niet uit hoe groot de geschatte hersenen waren. Ook bij het maken van oogcontact met mensen en het begrijpen van een ongebruikelijk wijsgebaar met de voet werd geen verband gevonden.
Bij tests met menselijke armgebaren werden aanvankelijk wel enkele verbanden gevonden, maar die bleven niet overtuigend overeind wanneer rekening werd gehouden met factoren zoals trainingservaring. En dat is misschien wel een van de belangrijkste conclusies uit het onderzoek.
Intelligentie is niet één enkele eigenschap.
De ene hond is fantastisch in het begrijpen van menselijke signalen, maar heeft misschien wat meer moeite met het onthouden van informatie. Een andere hond kan uitstekend zelfstandig problemen oplossen, maar kijkt je bij een aanwijzing vragend aan alsof hij wil zeggen: 'Waarom zou ik dat doen?' Welke van de twee is dan slimmer?
Dus... groot hoofd, groot verstand?
Het onderzoek laat zien dat hondenrassen met grotere hersenen gemiddeld beter presteren op bepaalde taken waarbij kortetermijngeheugen en zelfbeheersing een rol spelen. Maar bij andere cognitieve vaardigheden bleek hersengrootte nauwelijks of geen voorspellende waarde te hebben. Intelligentie bestaat uit verschillende vaardigheden, en die hangen niet allemaal op dezelfde manier samen met hersengrootte. De conclusie is dus niet dat grote honden slimmer zijn dan kleine honden, maar dat hersengrootte mogelijk iets zegt over bepaalde onderdelen van het cognitief functioneren. Want uiteindelijk zegt de hoeveelheid hersenen in een hondenkop nog niet alles over wat er in dat koppie omgaat.
Wat kunnen we hier bij de hondenschool mee?
Voor ons als hondenschool is dit onderzoek vooral interessant omdat het opnieuw laat zien hoe veelzijdig het leervermogen van honden is. Hersengrootte kan samenhangen met bepaalde cognitieve vaardigheden, maar bepaalt niet in zijn eentje hoe goed een hond leert of zich gedraagt.
In de praktijk spelen veel meer factoren een rol. Denk aan motivatie, eerdere leerervaringen, opwinding, stress, gezondheid en natuurlijk de omstandigheden waarin een hond iets moet uitvoeren.
Een hond die thuis zonder problemen een minuut op zijn voer kan wachten, kan op het trainingsveld ineens alle geduld verliezen. Niet omdat zijn hersenen onderweg kleiner zijn geworden, maar omdat de situatie veel moeilijker is. En dat is iets wat we in de hondentraining voortdurend tegenkomen.
We moeten onderscheid maken tussen wat een hond kan, wat hij heeft geleerd en wat hij op dat moment kan laten zien. Een hond die ergens moeite mee heeft, hoeft dus niet minder intelligent te zijn. Misschien begrijpt hij de oefening nog niet, is de situatie te moeilijk of heeft hij nog onvoldoende gelegenheid gehad om de vaardigheid te ontwikkelen. Daarom is een goede opbouw van oefeningen zo belangrijk. We leren honden niet alleen wat we van ze willen, maar helpen ze ook de vaardigheden te ontwikkelen die daarvoor nodig zijn.
En dat geldt voor zowel de kleinste chihuahua als de grootste Duitse dog.
Wetenschappelijke bron: Horschler, D. J., Hare, B., Call, J., Kaminski, J., Miklósi, Á., & MacLean, E. L. (2019). Absolute brain size predicts dog breed differences in executive function. Animal Cognition, 22, 187–198.



